Nieuwe bekostiging voor mbo-aanbod in alle regio’s
Het aantal jongeren in Nederland daalt, in sommige regio’s zelfs fors. Omdat mbo-scholen op dit moment grotendeels worden bekostigd op basis van het aantal studenten, zorgt de krimp direct voor financiële druk op het onderwijs.

Zonder actie komt het mbo-aanbod in delen van het land in de knel: opleidingen kunnen verdwijnen en studenten moeten verder reizen. Daarnaast werkt het huidige model eerder concurrentie dan samenwerking in de hand. Op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt men daarom aan het toekomstbestendig maken van de bekostiging van het mbo. Onlangs werd een tussenstand gedeeld met de Tweede Kamer: een inventarisatie van verschillende mogelijkheden voor nieuwe bekostiging. Rond de jaarwisseling maakt het ministerie haar voorkeursoptie bekend.
Het ministerie laat weten dat iedere jongere de kans moet hebben zich in de eigen regio te ontwikkelen tot waardevolle vakkracht. ‘Het land kan zich niet veroorloven dat het belangrijke mbo-aanbod in sommige regio’s verdwijnt. Door nu keuzes te maken over hoe we het onderwijs willen bekostigen, zorgen we ervoor dat het mbo ook in de toekomst toegankelijk blijft voor iedereen.’
Huidig model ontoereikend
Bekostiging is het geld dat scholen van de overheid krijgen om onderwijs te geven – bijvoorbeeld voor docenten, lesmateriaal en gebouwen. Nu daalt dat bedrag automatisch evenveel mee als het aantal studenten afneemt. Ook stimuleert de huidige manier van bekostigen eerder concurrentie dan samenwerking tussen scholen. Dat kan afspraken in de weg staan die leiden tot een slim georganiseerd aanbod van opleidingen voor de regionale arbeidsmarkt en maatschappelijke opgaven. Denk bijvoorbeeld aan de energietransitie.
Betrokkenheid mbo-sector
Bij het uitwerken van de nieuwe bekostiging wordt onder meer de deskundigheid van de mbo-sector. Om zicht te krijgen op wat goed aansluit bij de praktijk en de behoeften in het veld, zijn er gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van mbo-instellingen, studenten, docenten, het bedrijfsleven, gemeenten en de uitvoering.