Nu in BouwBelang

"Iedereen is welkom"

En verder:
+ "Verplicht richtlijnen"   

+ Remontabel infocentrum 

+ Duurzaam personeelsbeleid

Mkb beter af

Behoud van bedrijven die in de kern gezond zijn maar getroffen worden door een plotseling oplopende schuldenlast. Alle belanghebbenden steunen van meet af aan dit principe achter de wijziging in de faillissementswet. Alleen de accenten verschillen. En juist dat leidde na bijna acht jaar praten over de wijziging tot een spannende laatste fase. Met in de hoofdrollen dappere volksvertegenwoordigers die in de bres springen voor het mkb.

Tot voor kort had een bedrijf dat zijn schulden niet meer kon betalen drie mogelijkheden. Het kon schuldeisers een onderhands akkoord voorleggen. Een optie die slechts tot een perspectief kon leiden als alle schuldeisers akkoord gingen. Eén dwarsligger en het feest ging niet door. Er lagen voor het bedrijf dan nog twee andere opties open: surseance van betaling of een faillissement aanvragen. 

De wetgever heeft aan de mogelijkheden om schulden te reorganiseren op 26 mei j.l. een nieuw instrument toegevoegd: de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (zie kader WHOA), een akkoord met een meerderheid van de schuldeisers. Als je dat weet te bereiken dan zijn ook de overige schuldeisers gedwongen zich te voegen naar dit akkoord. Onder de nieuwe wet wordt het, kortom, gemakkelijker gemaakt dat het getroffen bedrijf zijn activiteiten kan hervatten. Het is immers uitgesloten dat één schuldeiser kan dwarsliggen. Dat is goed voor de werkgelegenheid de toeleverende schuldeisers behouden een klant. 


Lege handen

Maar hoe zit het met de schuldeisende mkb’ers onder de nieuwe wet? Meestal komen zij er bekaaid af. Wie er ooit mee te maken heeft gehad weet dat er bij een faillissement onder de streep meestal weinig overblijft voor de zogeheten concurrente schuldeisers. Als er al wat overblijft bij een faillissement staan ze meestal helemaal achteraan bij de verdeling van het restant. Eerst komt de fiscus, dan de bank en de eventuele aandeelhouders en dan pas de overige schuldeisers, doorgaans voornamelijk mkb’ers en zzp’ers. Niet zelden blijven zij met lege handen staan. Sterker nog: er zijn voldoende gevallen bekend waarbij ze meegetrokken worden in het faillissement en ook de poorten moet sluiten. Kortom, hoe is de positie van juist die groep onder de nieuwe wetgeving?


Korte evaluatietermijn

Vooropgesteld: alle belangenorganisaties waren blij met het wetsvoorstel toen deze medio verleden jaar na een moeizaam traject van bijna acht jaar op tafel lag. Dat geldt in ieder geval voor alle partijen die in de Stichting van de Arbeid vertegenwoordigd zijn, te weten de vakbonden CNV en FNV en de werkgeversorganisaties VNO/NCW, MKB-Nederland en LTO Nederland. VNO/NCW en MKB-Nederland deden in een gezamenlijke brief nog enkele voorstellen ter verbetering. Ondermeer het voorstel om de evaluatie van de gevolgen van de wet voor de concurrente schuldeisers al na drie jaar te laten plaatsvinden. Normaliter duurt het veel langer voordat er geëvalueerd wordt. Het voorstel kwam in een amendement terecht en is opgenomen in de wet. Niets leek een vlekkeloze en spoedige invoering in de weg te staan. Een hamerstuk zoals dat heet. 


‘Onthamerd’

Ook Ondernemend Nederland (ONL) stond achter het wetsvoorstel, al plaatste de belangenorganisatie enkele kanttekeningen bij de waarborgen voor de mkb’ers. ONL deelde haar zorgen met de fracties in de Tweede Kamer. Tezelfdertijd verschenen enkele kritische artikelen over het wetsvoorstel. Juristen voorzagen dat private equity partijen, banken en aandeelhouders onevenredig zouden profiteren van de WHOA en dat zou slecht kunnen uitpakken voor de schuldeisende mkb’ers. Zij zullen nog altijd aan het kortste eind trekken en in veel gevallen met lege handen komen te staan. Met name als grote partijen er onderling uitkomen en samen een meerderheid onder de schuldeisers kunnen vormen. Dan hebben de mkb’ers het nakijken. 

Getriggerd door dergelijke signalen ‘onthamerde’ Tweede Kamerlid Stieneke van der Graaf (ChristenUnie) het wetsvoorstel en diende enkele amendementen in die de positie van mkb’ers moet verbeteren. Zij werd daarin gesteund door de Kamerleden Henk Nijboer (PvdA) en Michiel van Nispen (SP).


Not amused

Advocaten van de Zuidas waren ‘not amused’ en lieten dat de Kamerleden luidkeels weten, nog voordat de amendementen ingediend waren. Door het uitstel en eventuele wijzigingen zagen zij hun verdienmodel verdampen. Overigen ook andere partijen waaronder MKB-Nederland waarschuwden dat mogelijk de balans en de samenhang van het wetsvoorstel door eventuele aanvullingen of wijzigingen in gevaar zouden kunnen komen. De Kamerleden lieten zich niet afschrikken, integendeel zij voelden zich meer vastberaden over de juistheid van hun inbreng. Ze hielden voet bij stuk. In samenwerking met ondermeer de mensen van ONL schreef Stieneke de Graaf een stevig opiniestuk. Er verscheen een verontrustend artikel in de Groene Amsterdammer over de invloed van Zuidas-advocaten op wetgeving ook al omdat deze meegeschreven hadden aan de wet. En later verscheen een soortgelijk verhaal in de NRC. 


Twintig procent

De wet werd opnieuw in de commissie Justitie en Veiligheid behandeld. De amendementen kwamen ter tafel en de Kamerleden kregen uitvoerig de gelegenheid deze toe te lichten. De meeste werden door de minister ontraden, een enkele kon rekenen op steun. Het voorstel om in de wet een minimumpercentage van twintig procent op te nemen waar concurrente schuldeisers – veelal mkb’ers – recht op hebben als het merendeel van de schuldeisers voor een onderhands akkoord stemt, heeft het gehaald. 


‘Uit balans’

Luc Rullens van ONL is bijzonder ingenomen met deze uitkomst en steekt zijn bewondering voor de vastberadenheid van de Kamerleden niet onder stoelen of banken. “Ondanks de verwijten dat ze er met hun amendementen een onevenwichtige wet zouden maken, hebben ze doorgezet. Ons bereikten soortgelijke verwijten. We zijn er serieus op in gegaan door te vragen naar casuïstiek, naar mogelijke voorbeelden uit praktijk waardoor een disbalans zou blijken of de noodzakelijke samenhang verloren zou gaan. Die hebben wij niet ontvangen. Voor ons was duidelijk, dat we met onze opstelling het mkb een dienst hebben kunnen bewijzen. Verder is gebleken dat de invoering van de wet nauwelijks vertraging heeft opgelopen en dat is in deze onzekere tijden van belang.”


Epiloog

Opmerkelijk is de opstelling van MKB-Nederland. De organisatie juicht natuurlijk elke verbetering van het wetsvoorstel ten faveure van het mkb toe en is tegelijkertijd gebonden aan gezamenlijke uitspraken met VNO/NCW. Een onmogelijke spagaat. In voorkomende soortgelijke gevallen is het wellicht verstandig een apart meer mkb-gericht standpunt in te nemen.

Ook wekt het verbazing dat het wetsvoorstel niet is voorgelegd voor een MKB-Toets. Waarom is dat niet gebeurd? Navraag leert dat slechts nieuwe wetten getoetst worden. De WHOA is een wijziging van de veel meer omvattende faillissementswet en in die zin geen nieuwe wet. De WHOA-ervaringen leren dat het zinvol is de werking van de toets uit te breiden met wetswijzigingen die gevolgen kunnen hebben voor het midden- en kleinbedrijf.



WHOA
De WHOA is een aanvulling op de faillissementswetgeving en stelt nieuwe regels voor een onderhands akkoord tussen schuldenaar en schuldeisers. De schuldenaar neemt het initiatief voor een akkoord. Hij doet voorstellen en heeft bepaalde instrumenten tot zijn beschikking om onrustige partijen bij de les te houden. Hij kan bijvoorbeeld een afkoelingsperiode instellen of faillissementsaanvragen schorsen.
Vervolgens verdeelt hij de schuldeisers in klassen. Dit doet hij op basis van de wet én contractuele afspraken. Uitgangspunt daarbij is dat de schuldeisers niet in een slechtere positie komen dan ze in een faillissementssituatie terecht zouden komen. Per klasse kan een apart akkoord worden aangeboden. De hoogte van de aangeboden geldsom kan dus per klasse verschillen.
Dan gaat elke klasse voor zich over het aangeboden akkoord stemmen. In een klasse is voor het akkoord gestemd als het akkoord wordt aangenomen door een groep schuldeisers die minstens tweederde van de totale waarde van de vorderingen in de klasse vertegenwoordigt. Op het moment dat één klasse akkoord gaat met het voorstel van de schuldenaar, kan deze het akkoord aan de rechter voorleggen. Het is dan aan de rechter om het akkoord op basis van toetsing te bekrachtigen of te verwerpen. Bij bekrachtiging is het ook voor de overige klassen verbindend, ook als deze niet hebben ingestemd met het akkoord. 

De rechter toetst het akkoord op criteria. Is bijvoorbeeld de onderneming voldoende levensvatbaar? Zijn de schuldeisers niet beter af met een faillissement? Of zijn de regels en voorwaarden van de WHOA wel correct nageleefd? Als de rechter akkoord is, kan de schuldenaar het akkoord uitvoeren.
Ook kan er aanleiding zijn een herstructureringsdeskundige aan te stellen, veelal een insolventierechtspecialist. Die heeft de regie over de totstandkoming van een akkoord. 

Kort samengevat zijn de voorwaarden voor een akkoord in de geest van de WHOA: een bedrijf met een gezonde kern, een zak geld voor het akkoord, goede begeleiding en doortastend handelen.